Dit fragment komt uit een verhaal over de jonge slaaf Aboikoni, die wegloopt van de plantage:

...

Nog diezelfde week vluchtte Aboikoni. In de duisternis van de nacht sloop hij weg. De hele nacht bleef hij doorlopen. Toen het licht werd verschool hij zich tussen de struiken. In de verte hoorde hij het geblaf van jachthonden en schreeuwende stemmen van de basja’s.

“Ik moet hier weg. Ik moet verder. Ze mogen mij niet vinden.” Aboikoni begon te rennen zo hard hij kon. Het geblaf van de honden kwam steeds dichterbij. Ineens stond hij bij de rivier. Hij raakte in paniek en durfde niet in de rivier te springen. Hij hoorde het geblaf duidelijker. Hij zag de takken van de struiken bewegen.

Zijn hart bonste luidruchtig in zijn keel. Hij kon goed zwemmen maar hij was bang voor de piranja’s met hun vlijmscherpe tanden. Hij hoorde het gehijg van de honden al.

Als hij zou blijven staan, moest hij terug naar de plantage. Honderd zweepslagen zou hij dan krijgen. Aboikoni haalde diep adem en sprong in het koude, donkere water van de rivier. Hij begon als een waanzinnige te zwemmen. Hij dacht maar aan een ding: vrijheid.

De kogels uit de jachtgeweren van de basja’s vlogen om zijn oren. De jachthonden blaften wild. Sommige honden sprongen in de rivier en zwommen hem achterna.
“Ik moet sneller, nog sneller”, dacht Aboikoni en hij dook nog dieper onder water. Toen hij even naar boven kwam om lucht te happen hoorde hij roepen: “Piranja’s, piranja’s, die vraatzuchtige piranja’s vreten die honden op".

Aboikoni draaide zich om en zag een rode vlek op het water. Hij nam een grote hap lucht, dook en zwom weg.

...